Het Braempaviljoen

Renaat Braem geldt als één van de belangrijkste vertegenwoordigers van de naoorlogse architectuur in België. Vanuit zijn streven naar integratie van architectuur en kunst, was Braem vanaf de oprichting intens betrokken bij het Middelheimmuseum.

Na het ontwerpen van een voorlopig paviljoen voor de 7e Biënnale voor Beeldhouwkunst in 1963, kreeg hij in hetzelfde jaar van het stadsbestuur de opdracht tot het ontwerp van een permanent paviljoen voor de meer kwetsbare collectiestukken.

 

Architectuur als sculptuur

Het was de inzet van een langdurig creatief proces met talrijke varianten, op zoek naar een gebouw met een bescheiden sculpturale monumentaliteit en een dienende rol voor de beeldhouwkunst, dat organische zou versmelten met het parklandschap. Al snel evolueerde het ontwerp naar een aaneenschakeling van gesloten paviljoenen  en open patio’s, vormgegeven ‘op de wijze van de natuur’. Een uitnodigende inkompartij en een eigenzinnige dakstructuur, een continue ruimtelijke beleving en een gelijkmatige lichtinval, droegen het concept. De eerstesteenlegging vond plaats in 1969 en het paviljoen werd ingehuldigd ter gelegenheid van de 11e Biënnale in 1971. Het ontwerp voor een tweede fase die het paviljoen in oppervlakte zou verdubbelen lag toen al op de tekenplank, maar kwam er uiteindelijk nooit. Ook de geplande aanleg rond het paviljoen bleef uit, een kleine vijver met een fontein van Olivier Strebelle vormt er zowat het enige spoor van.

Over het paviljoen dat hem zo na aan het hart lag schreef Braem later: “Ik meen dat het resultaat een van de best gelukte items uit mijn oeuvre is. De plaats was goed gekozen. Er stonden twee geweldige pijnbomen waarvoor ik beleefd uit de weg ging, wat een gebogen planvorm als gevolg had. Verder is de totaalvorm het resultaat van het streven naar een gelijkmatige verlichting door middel van gebogen dakvlakken die het zonnelicht opvangen en naar binnen toe verspreiden. Er zijn ook verticale ramen aan de noordzijde die voor bepaalde beelden de juiste belichting moeten verschaffen en kleine nissen voor kleinere sculpturen. Voor de toegangsdeur maakt een gebogen wand een uitnodigend gebaar om binnen te komen. De buitenmuren zijn zoveel mogelijk de expressie van de erbinnen heersende krachten. De functionele constructievormen zijn ook doorgedreven in het schrijnwerk.”

(Het schoonste land ter wereld, Kritak-Leuven, 1987)

Meld je aan voor onze nieuwsbrief